Tegenwoordige tijd

  

Vul in. Klik dan op de knop "Nakijken"!

1. An (houden) nog steeds van Stef.
2. Meneer Peeters (worden) niet snel boos.
3. Ria (klappertanden) van de kou.
4. (Bereiden) hij zijn lessen wel voor?
5. Die plant (verdorren) snel in de zon.
6. (Rijden) je zus weer te hard?
7. Ik (vermelden) dit niet in mijn dagboek.
8. (Betreden) je de geheime kamer niet?
9. Ik (besteden) er geen aandacht aan.
10. Dat (duiden) op grote problemen.
11. Waarom (benijden) je haar?
12. De brandt (breiden) zich nog steeds uit.
13. In zee (houden) je het met die kou niet lang uit.
14. Dit werk (vermoeien) je zeker?
15. Deze straat (vermijden) ik liever.
16. (Verantwoorden) jullie leraar de cijfers.
17. Ik (vermoeden) onraad.
18. (Baden) hij iedere ochtend in de zee?
19. Anders (vermoorden) hij haar.
20. (Schudden) je je kussen op?
21. De trein (verminderen) vaart.
22. (Vinden) jij die broek niet mooi?
23. Hij (spoeden) zich naar het ziekenhuis,
24. Sanne (balen) van het vegen.
25. Ik (binden) je tas wel even vast.