Vul de tegenwoordige tijd in.


  




1. (bidden) jij wel voor het eten?
2. Waarom (bieden) hij nog meer?
3. (houden) Marie Mulder meer van haar paard Steffie of van Vazal?
4. Deze aanbieding (gelden) alleen vandaag.
5. Jos (kleden) zich altijd leuk.
6. Koos (vinden) Els het leukste meisje.
7. (bereiden) jij je stage goed voor?
8. Laura (strijden) morgen om de titel.
9. Remi (opwinden) zich op over het verdwenen opstel.
10. Ik (benijden) hem niet met al dat werk.
11. Hij (benijden) je toch echt.
12. Het (schaden) mij.
13. Ik (schudden) deze zinnen uit mijn mouw.
14. Als je goed (luisteren) , weet je het.
15. (verbinden) je mijn voet even?
16. (schelden) je zus net zo hard?
17. Je (wennen) nooit aan dit werk.
18. Hoe (redden) jij je daar uit?
19. Hoe (onderscheiden) je Tatiana van Xenia?
20. Er (worden) beweerd dat we vrij zijn.
21. Het pretpark (uitbreiden) uit.
22. Ik (benijden) je je werk niet.
23. Dit gesprek (verzanden) in geklets.
24. Ik (dulden) geen herrie in de les.
25. Niemand (vermoeden) dat je de tegenwoordige tijd hebt geoefend.