Verleden tijd


  

Vul in. Klik dan op de knop "nakijken"!

1. Xavier (aanvaarden) met plezier de overwinning.
2. (beelden) Sam en Hilde het plaatje wel goed af.
3. De bal (ketsen) op de muur.
4. (bezwijken) die stoel onder zijn gewicht.
5. Nina (eten) de hele les chocolaatjes.
6. Waarom (matsen) Nadine jou vorige keer. (matsen = iemand een gunst verlenen)
7. De leerlingen (geloven) zijn verhaal niet.
8. (kidnappen) David je broertje?
9. Nick (peinzen) er niet over het huiswerk over te maken.
10. De boer (poten) vorig jaar aardappelen op een ander stuk land.
11. De pater (stichten) een kerk in het oerwoud.
12. Die schilders (verven) alles wit.
13. En toen (kneuzen) Cynthia weer haar enkel in het zwembad.
14. Helaas (inenten) de boer de koeien niet in tegen gekke koeienziekte.
15. De tuinmannen (maaien) het gras.
16. (zouten) hij de haring met suiker?
17. Anne (verstuiken) haar enkel bij het vechten met Tony.
18. Julia (verleiden) Romeo met haar verleidelijke glimlach.
19. (starten) jullie gisteren ook niet te laat met werken?
20. Hij (betwijfelen) of Magdalena de waarheid sprak.
21. De bedienden (verpraten) zich kort geleden.
22. Max (hangen) aan het touw.
23. Gelukkig (hoeven) Evert vorig uur niet naar de w.c.
24. Wie (versieren) Nathalie in dat toneelstuk?
25. De cijfers (blijken) een stuk hoger na deze oefening.