Verleden tijd


  

Vul in. Klik dan op de knop "nakijken"!

1 Ik (feliciteren) haar met haar verjaardag.
2 Zij (trachten, enk.v.) mij te overtuigen.
3 Ik (hoesten) en (niezen) de hele dag.
4 Er (heersen) een ondraaglijke temperatuur.
5 De beide generaals (betwisten) elkaar de macht.
6 Terwijl de boer de stal (schrobben) , (schoppen) de koe de emmer om.
7 De opstandelingen (vermoorden) de generaal, die zij (haten) en (verachten) .
8 De aanwezigen (barsten) in lachen uit, toen zij deze dolle geschiedenis (horen) .
9 De reparatie van de auto (kosten) meer tijd dan ik (verwachten) .
10 De reizigers (beseffen) niet, welk gevaar hen (bedreigen) .
11 De tanker (wenden) de steven en (koersen) naar het noorden.
12 Wij (haasten) ons naar het station.
13 Het gedrag van zijn zoon (bezorgen) de oude heer veel hoofdbrekens.
14 Tante (verwennen) ons altijd.
15 Over de hobbelige keien (hotsen) en (bonken) we voort, tot we de snelweg (bereiken) .
16 Ik (rennen) een paadje in, waar een konijntje angstig (wegvluchten) .
17 De warmte (golven) boven het korenveld, waarboven de leeuweriken (zweven) .
18 De winkeliers (klagen) dat de nieuwe supermarkt hun het brood uit de mond (stoten) .