Verleden tijd


  

Vul in. Klik dan op de knop "nakijken"!

1 Het dier (verspreiden) een onaangename geur.
2 Hoewel het (misten) , (landen) het vliegtuig in Zaventem.
3 Urenlang (dwalen) de wandelaars door de bossen.
4 God (scheppen) hemel en aarde.
5 De monteur (schroeven) de bougies los.
6 De opmerking (missen) zijn doel niet.
7 Elk jaar (broeden) er een merel in onze tuin.
8 De zon (zich verschuilen) zich achter de wolken.
9 De honden (jagen) de vogels van hun broedplaatsen op.
10 Toen ik mijn nieuwe betrekking (aanvaarden) , (vermoeden) ik niet, welke teleurstellingen mij nog (wachten) wachtten.
11 Het weer (werken) mee, zodat de tuinparty volkomen (slagen) .
12 De dokter (constateren) , dat de patiënt het goed (maken) .
13 Het huis (branden) totaal uit.
14 De houthakker (hakken) de boom om en (zagen) de takken eraf.
15 Mijn zus (werken) vroeger bij een firma die koffie (importeren) .
16 (Logeren) hun buren in hetzelfde hotel?
17 Langzaam (varen) het schip de haven uit.
18 Ik (raden) hem aan geduldig te wachten.
19 Hij (raden) onmiddellijk wat ik (bedoelen) bedoelde.
20 Wij (graven) op het strand een diepe kuil.