De meester kijkt de oefeningen na.
- naamwoordelijk gezegde
- werkwoordelijk gezegde
Die man is zeker boos
- ww. gez.
- nw. gez.
Zij gaan vandaag mooie tekeningen maken.
- nw. gez.
- ww.gez.
Hij wordt later zeker brandweerman.
- nw. gez.
- ww. gez.
Plotseling floepen de lichten aan.
- nw. gez.
- ww. gez.
Krijg ik morgen een nieuwe broek?
- nw. gez.
- ww.gez.
Hij werd helemaal bleek van de pijn.
- nw. gez.
- ww. gez.
Moeder gaat morgen alleen op stap.
- nw. gez.
- ww. gez.
Pieter wordt slaperig
- nw. gez.
- ww. gez.
Lien rent naar buiten.
- nw. gez.
- ww. gez.
De televisie is zeker helemaal stuk?
- ww. gez.
- nw. gez.
De directeur kondigde de vrije dag aan.
- nw. gez.
- ww.gez.