Vul het voltooid deelwoord in.

Vul je antwoorden in. Als je klaar bent klik op de controleer knop.

1. Hij heeft die jongen weer (stompen) .
2. Heeft Lien met Robin (dansen) ?
3. Ik ben erg (verbazen) over mijn goede cijfers.
4. Op het kamp was veel regen (voorspellen) .
5. Is dit voor mij (bestemmen) ?
6. Op school wordt teveel (vergaderen) .
7. De boekhandel heeft de prijzen (verhogen) .
8. De hond heeft de hele dag (blaffen) .
9. Hij heeft die tas (weggrissen) .
10. Helaas is hij te vroeg (sterven) .
11. Anne is voor de gevolgen (terugdeinsen) .
12. Harry en Nele hebben veel avonturen (beleven) .
13. Nadine was bijna door de afdelingsleider (schorsen) .
14. Die kat heeft me (krabben) .
15. Heb ik jou dat (verwijten) .
16. Heb je je billen wel (afvegen) .
17. De jongen had zich niet (beheersen) .
18. Heb je (checken) of hij ziek was?
19. De hele les heeft dat kind (jennen) .
20. Tot nu toe heeft Rik zich (handhaven) .
21. Heb je die spiegel (breken) .
22. Ik heb gewoon (sparen) .
23. De sloot is gisteren (leegpompen) .
24. Heeft ze jou tien gulden (bieden) .
25. Dit lesje heeft weer lang genoeg (duren) .