Kies uit de volgende woordsoorten : zelfstandig naamwoord, werkwoord, lidwoord of bijvoeglijk naamwoord.


Gebruik deze afkortingen : z.n. / ww. / lidw. / b.n.

Vul je de juiste afkortingen in. Als je klaar bent klik op de controleer knop.

1. Dat grote meisje is nogal opvliegend.
grote :
meisje :
is :
2. De angstige hond beet Mieke in haar been.
angstige :
hond :
beet :
been :
3. Hij plaatst zijn nieuwe fiets in de garage achter het huis.
plaatst :
nieuwe :
de :
huis :
4. Een kind mag niet aan de toestellen komen!
een :
mag :
komen :
5 De tijger haalde het arme schaap vlug in.
tijger :
het :
arme :